Veronica Magazine's filmredacteur Klaas Kaptijn over zijn belevenissen in de bioscoop én in Hollywood. 

Het is grappig hoe snel een mens aan iets kan wennen. Neem nou een gemiddeld bezoekje aan de bioscoop, een plek waar ik al een kleine dertig jaar zeer regelmatig kom. Zaken die daar ooit heel gewoon waren, zijn dat nu niet meer en dingen waar je ooit met smart op zat te wachten, zijn intussen doodnormaal. Iedere keer dat ik terecht kom in een bioscoop waar de film bruut wordt onderbroken voor een pauze, weet ik niet wat ik meemaak: dat soort archaïsche onzin zou al lang uitgestorven moeten zijn. En tegelijkertijd zucht ik eens diep als blijkt dat de film waar ik heen wil alleen in 3D-versie draait, want dat kost me weer geld voor die bril. Terwijl ik tien jaar geleden zonder twijfel drie steden verderop naar de bioscoop ging als ik daar een bepaalde film in 3D kon zien.

De laatste technologische verbetering op filmgebied die zijn sjeu dreigt te verliezen, is IMAX. Ik zeg niet dat het mooie dagen waren, de tijd dat we het moesten doen met vier films per jaar op dit reusachtige beeldformaat, maar intussen draait er elke twee, drie weken wat nieuws in de grootste zaal. Zelfs films zonder al te veel spektakel zoals The Nun en Bohemian Rhapsody krijgen de IMAX-treatment en ik vrees dat het op deze manier niet lang echt nog wat bijzonders blijft.

Toch zit er één film tussen waarvoor ik mijn best ga doen om die te zien in IMAX en dat is The House with a Clock in Its Walls. Niet voor de film zelf, ook al lijkt deze kindvriendelijke horror met Jack Black en Cate Blanchett me heel aardig, maar omdat hij – in Amerika in elk geval – voorafgegaan wordt door een volledig geremasterde 3D-versie van Thriller van Michael Jackson. Zo verzinnen ze toch elke keer weer iets om je naar de bioscoop te blijven laten komen.
 

More content below the advertising