Filmrecensie
De berichten spraken elkaar tegen, maar wij hebben Jackson écht horen beweren dat-ie na de in Oscars grossierende Lord of the Rings-trilogie een kleine film zou maken. Dat werd dus King Kong, met een kostenplaatje van 220 miljoen dollar de tot dan toe duurste film aller tijden, waarin Jackson z'n liefde voor het klassieke filmmonster de vrije loop laat. Net als voor Gollem kroop Serkis in het digitale pak van de beroemde reuzengorilla. Deze fantastische techniek maakt van de eenzame Kong een zowel levensgevaarlijk als ontroerend personage. Zijn genegenheid voor Watts, die met de cameraploeg van Black op het in mist gehulde Skull Island belandt en door de creepy inboorlingen aan Kong wordt geofferd, is bijna tastbaar. King Kong duurt bijna twee keer zo lang als het origineel uit 1933, en dat had minder gekund. Uitgebreid introduceert Jackson personages die er later bijna niet meer aan te pas komen, op het eiland lopen nog meer monsters rond dan in alle Jurassic Park-films bij elkaar en veel actiescènes worden te lang uitgesponnen. Maar indrukwekkend is het allemaal wel.